Back to Top

Geschiedenis

De officiële geschiedenis van Landfort begint in 1434. In dat jaar wordt de havezate voor het eerst in een document wordt genoemd. In dat jaar deed Johan van Assewyn zijn buitenverblijf over aan Diederick van Bronckhorst. Het heette toen Lanckvoort, waardoor wij nu denken dat hier toen een doorwaadbare plek of voorde in de Oude IJssel beschikbaar was. Dit heerlijke domein ligt al eeuwen op de Nederlands-Duitse grens. Opmerkelijk is dat geldzorgen een rode draad zijn in de geschiedenis van Landfort. Tot in de 19de eeuw gaan verschillende eigenaren failliet of kunnen geldleningen niet terugbetalen. Geldgebrek is er dan ook vaak de oorzaak van dat het buiten telkens van hand op hand ging. Ook is opmerkelijk dat Landfort, ondanks haar ligging in het grensgebied, de eerste echte oorlogsschade onderging in de laatste dagen van Tweede Wereldoorlog. Doordat het lange tijd een leen was van het adellijke (Duitse) Anholt is het hier in dit gebied meestal rustig geweest. Landfort zelf had meestal te leiden onder verwaarlozing door eigenaren die te weinig geld hadden om het adequaat te kunnen onderhouden. De een kon zijn schulden niet aflossen, de ander kwam in de problemen doordat hij/zij Landfort niet kon verkopen of het door armlastigheid niet kon accepteren na het te hebben geërfd. Weer anderen sluiten leningen op dit bezit af om hun hoofd boven water te kunnen houden.  Als deze buitenplaats in 1610 in het nabijgelegen Duitse Emmerik onder de hamer gaat, telt het ruim zestien hectare of achttien morgen land. Dat men het in die tijd een havezate noemt, komt doordat het eigendom was van een edelman. In die tijd waren er grachten, wallen, hakhoutbossen, een boomgaard, viswaters en een jachtterrein. Ondanks het feit dat Oost-Nederland meerdere adellijke families kenden die grootgrondbezitters waren, zijn zij in de bewonersgeschiedenis van Landfort nauwelijks vertegenwoordigd. Vaker zijn het middenstanders of kooplieden, waaronder zelfs Amsterdammers, die eigenaar zijn geweest van dit domein.

 

Bouwvorm

Kasteel Biljoen te Rheden

Vroeger zag Landfort er anders uit dan nu. Toen leek het meer op het huidige Kasteel Biljoen bij Velp. Net als dat, huis bestond Landfort uit een vierkant gebouw met vier hoektorens, ieder bekroond met een helmdak. Om het huis lag een gracht en een brug leidde naar de toegangsdeur. Het huis had een kelder, twee bouwlagen en een zolder. Iedere zijde van het huis had vensters met luiken en dit geheel dateerde vermoedelijk uit het begin van de 17de eeuw. Mogelijk waren wel elementen van een eerder huis benut. Zo stond het huis er bij tot 1823-27. In die jaren ging hier alles op de schop en kreeg het huis zijn huidige, uitgestrekte vorm. Hierbij is het centrale deel, of te wel het corps-de-logis, als het ware opgegaan in het nieuwe huis. Nu nog kan men op de zolder van Landfort de oude 16de-eeuwse overkapping waarnemen. Ook resteren de oude, ondiepe kelder onder het gebouw. Hier zijn de centraal gelegen delen de oudste.

 

Johann Albert Luyken op Landfort

Vanaf 1810 verwierf de familie Luyken het bij het Duitse Rees gelegen Schloss Sonsfeld-Wittenhorst. De bij dit bezit behorende heerlijke rechten kwamen weldra in handen van Johann Albert. De herkomst van de familie Luyken is Duits-Nederlands. Er is wel beweerd dat de bekende Nederlandse graficus Jan Luyken (1649-1712) tot hun voorgeslacht zou behoren. Hij is de maker van het boek Spiegel van het Menselyck Bedrijf. Een verwantschap is echter nooit afdoende aangetoond. Na eeuwen van zorgelijk voortbestaan, werd Landfort in 1823 het bezit van Johann Albert Luyken (1785-1867) en onderging de buitenplaats een volledige metamorfose en revitalisatie. Luyken kon deze aankoop doen dankzij een geldschenking van zijn 21 jaar oudere zuster Stiencke Christina Waltmann-Luyken. Haar man was bankier hetgeen haar tot een schatrijke weduwe had gemaakt. Na zijn overlijden wilde de kinderloze weduwe dichter bij haar Duitse familie gaan wonen waarvan er meerderen in buurt van de Duits-Nederlandse grens ter hoogte van Landfort woonden. Bij de geldschenking stelde zij als voorwaarden dat ook zij op Landfort kon gaan wonen en dat eventuele revenuen haar zouden toekomen.

 

Johann Albert Luyken

Johann Albert Luyken was het tiende en laatste kind van Daniël Luyken en Christina Gerdrutha Löhr. Zij behoorden tot een voornaam koopmansgeslacht uit het Duitse Wezel. Na zijn gymnasiumtijd bekwaamde hij zich als oogarts, chirurg en gynaecoloog in Halle en Göttingen. Ook had hij veel aandacht voor dendrologie. In die tijd behoorden botanische studies tot een vast onderdeel van de artsen-opleiding. Dit zou later uitgroeien tot zijn grote passie. Over Johann Albert doet een verhaal de ronde dat hij, na zich Prinsengracht 464 te Amsterdam als oogarts te hebben gevestigd, door collega-artsen met wolfskers (belladonna) zou zijn vergiftigd. Luyken zou in leven zijn gebleven door het drinken van grote hoeveelheden. Echter, het gif zou zijn gehoor hebben aangetast, waardoor hij niet meer in staat was om patiënten te behandelen. Of dit laatste waar is, is onbekend maar dat hij doof was, is wel een feit. Mogelijk wakkerde deze handicap zijn reeds bestaande liefde voor botanie verder aan. Nadat hij met zijn achternicht Christina M.B. Luyken (1797-1849) in het huwelijk was getreden, vestigden zij zich op Landfort waar ook zijn oudste zus kwam te wonen. Na de dood van zijn eerste vrouw, hertrouwde hij met Emma C. Viebahn. Hier overleed hij 1867 waarna Landfort overging op diens zoon Albert Gustav Hermann Luyken.

 

Aankoop Landfort

Op 27 juni 1823 deed Johann Franz baron von Motzfelt, die kasteel Hardenberg bewoonde, het hoogste bod op Landfort maar in de definitieve veilingtoeslag werd Johann Albert Luyken eigenaar van dit goed. Hij bood f 20.798.05. Tijdens het biedverloop op de veiling in Hotel van Dielen te Gendringen leidde hij de aandacht op zijn persoon af door als een eenvoudige boer gekleed te gaan. Hierdoor verslapte de aandacht van de aanwezige heren omdat men ervan uitging dat geen van de aanwezige boeren zich Landfort konden permitteren. Nadat hij zijn bod gedaan had, vroeg de aanwezige notaris bezorgt of de bieder genoeg borgen bezat.  Hierop zou Johann Albert nee hebben geroepen en tegelijk een groot pak bankbiljetten tevoorschijn hebben getoverd waarmee hij de aankoop contant voldeed. Landfort was door alle wisselende eigenaren in slechte staat en had zijn markante hoektorens reeds verloren. Nadat tot verbouw en nieuwbouw was besloten, werd de hulp van de Duitse architect-aannemer Johann Theodor Übbing ingeroepen. Hij verrichtte veel werk voor Fürst zu Salm-Salm op de Wasserburg Anholt.

 

Johann Albert bemoeide zich intensief met de verbouwing en uitbreiding van Landfort. Dit hield onder andere in dat de nodige ruimtes in huis voor de botanische liefhebberijen van Johann Albert geschikt werden gemaakt. Voorts werd het huis aanzienlijk vergroot met twee licht uitwaaierende vleugels. Uniek voor Nederland is de aanwezigheid van een inpandige oranjerie. Op geen enkele buitenplaats in ons land werd een dergelijk inpandig winterverblijf voor (sub)tropische planten gerealiseerd. Ook benoemde Übbing in zijn plan een ruimte tot zaadkamer maar deze werd niet gerealiseerd. Zeer opmerkelijk was ook de hete luchtverwarming door middel van een haardvuur in de kelder. Tot slot valt in het ontwerp op dat het huis geen upstairs/downstairs indeling kent. Aan beide uiteindes van de vleugels bevinden zich nog altijd trappen die naar de zolder leiden. Op die wijze kon personeel ongezien de zolder bereiken waar mogelijk afgetimmerde personeelsvertrekken zijn geweest. De keuken en andere dienstvertrekken bevonden zich op dezelfde etage als de zaal, salon en ontvangstkamer.

 

Jan David Zocher jr.

Naast de betrokkenheid van de architect-aannemer Übbing, raakte ook Jan David Zocher Jr. betrokken bij de renovatie en herinrichting van de tuin op Landfort. Mogelijk dat ook diens jongere broer Karel George Zocher ook op Landfort heeft gewerkt maar wat hij daar precies heeft gedaan blijft ook onduidelijk, net als hun rolverdeling. Uit de cartografie die Übbing aan het begin van de werkzaamheden op Landfort maakte, blijkt dat de vroegere indeling van de landerijen rond het huis utilitair en enigszins formeel was. Met andere woorden: het was allemaal wat recht toe, recht aan.  Er stond een menagerie, er waren hakhoutbossen, houtwallen, bouwland, een visvijver en grachten. Kort daarna transformeert het geheel naar een landschappelijke aanleg met slingerpaden, een meanderende beek en ontwierp Übbing zelfs een zogenaamde Turkse of Ottomaanse duiventoren. Ook dit element is voor Nederland een zeldzaam bouwkundig fenomeen.

Botanische genoegens

Luyken bezat op Landfort een uitgebreide plantenverzameling en had eerder tijdens een lange reis door Europa een omvangrijk herbarium aangelegd. Dit laatste is bewaard gebleven en op aanvraag te bezichtigen in het Westfälische Landesmuseum für Kunst und Kulturgeschichte in Münster. Ook was er een grote bibliotheek met medische en botanische boeken. In de tuin bevonden zich talrijke bijzondere bomen waarvan nu nog maar weinig resteert. Stichting Erfgoed Landfort beraadt zich op het terugbrengen van de planten- en boomsoortenrijkdom die destijds door Johann Albert op Landfort is ingebracht. Daartoe zal ook het plaatsen van een historische kas in het park noodzakelijk zijn.

 

Alhoewel Übbing een bijdrage aan het tuinontwerp leverde, lijkt het erop dat hij in artistiek opzicht niet geheel aan de veeleisende wensen van Johann Albert Luyken kon voldoen. Na de introductie van Jan David Zocher jr. door een Amsterdamse vriend, bezoekt deze hem in de zomer van 1825. Dit was twee jaar nadat de werkzaamheden op Landfort in gang waren gezet. De veelgevraagde landschapsarchitect zou voor Landfort, net als hij voor baron Van Spaen op Biljoen had gedaan, een zogenaamde vogelvlucht kaart maken. In een brief van Zocher aan Luyken schrijft hij: “Wat de tekening van het huis betreft, deeze is nog niet geheel gereed doch hoop hem UwEd bij mijne eerste reis naar Gelderland, van Arnhem te zenden, of mogelijk zeker te brengen”. Dit maakt dat een aantal ongesigneerde en ongedateerde ontwerpen voor het huis, allen in classicistische stijl, wel aan de Zocher worden toegeschreven. Toch zijn meerdere elementen op deze buitenplaats eerder Duits dan Nederlands te noemen. De inpandige oranjerie, de heteluchtverwarming in het huis, het eiland met de familiegraven en de Oosterse duiventoren zijn elementen die eerder bij onze oosterburen te vinden zijn dan bij ons. Hierdoor is de veronderstelling aannemelijk is dat Übbing, al  dan niet in nauw overleg met de in Duitsland opgegroeide Johann Albert Luyken, een toch substantieel aandeel in vormgeving van het geheel heeft gehad.

Duiventoren

De duiventoren komt al voor op het ontwerp dat Übbing voor Landfort maakte in 1825. Daarop is de Moorse duiventoren al ingetekend. Feitelijk diende het als menagerie en er werden zwanen, ganzen, kippen en ander gevogelte in gehuisvest. In een kantlijn leest men op de tekening: ‘Een zierlijken agtkantigen toorn, tot den menageriebouw beneffens met rasterwerk‘. Deze duiventoren is een voor ons land uniek voorbeeld van een tuinverrijking in de zogenaamde Oosterse, Moorse of Ottomaanse stijl. Het bevat tegelijk enige gotische en Chinese elementen. Op een van de ontwerptekeningen zijn pagodebelletjes aan de dakrand te zien en is een tweede dak bedekt met een uivormig torentje met daarop een Turkse halve maan. Het bovenste deel van de toren lijkt te zijn bedoeld als uitkijktoren. Dat deed men vroeger graag op buitenplaatsen maar hier is het ontwerp niet geheel gevolgd en is dit element niet gerealiseerd. Na de W.O. II werd de zwaar beschadigde duiventoren eerst gerestaureerd tot een middeleeuwse toren met een dak. Weer later verdween dit dak en werd het ‘verbouwd’ tot een soort ruïneuze folly. Na 2000 werd de toren aan de hand van oude ontwerpen en foto’s gerestaureerd en verkreeg het wederom zijn Moorse of Ottomaanse uitstraling.

 

De Bruggen

In het park bevinden zich twee bruggen. Beide zijn het ontwerp van ingenieur Carl August Wilhelm Luyken. Zijn oudere broer Albert Gustav bewoonde het landhuis. De achter in het park gelegen sierlijke boogbrug dateert uit 1872 en is in een ijzergieterij te Isselburg nabij Anholt geconstrueerd. Het bood de bewoners de mogelijkheid om het achter het huis gelegen bos te kunnen betreden om bijvoorbeeld een bezoekje te kunnen brengen aan hun eigen familiebegraafplaats , dat op een kunstmatig eiland werd aangelegd. In die tijd werd ook de toegangsbrug ontworpen. Daarvan is bekend dat deze berust op een tamelijk ingewikkelde bouwconstructie.

 

De Tweede Wereldoorlog en daarop volgende jaren

Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog raakte het hoofdhuis zwaar beschadigd. Het omvangrijke koetshuis met de paardenstallen en de inpandige tuinmanswoning brandden af en de duiventoren werd zwaar beschadigd. Ook het bomenbestand op het huiseiland en in het park had in die tijd zwaar te lijden. Nog altijd bewoonden nazaten van Johann Albert Luyken een deel van het zwaar beschadigde hoofdhuis. Door uiteenlopende omstandigheden was de familie Luyken in 1970 genoodzaakt om Landfort met een groot deel van de omringende landerijen en bossen (42 hectare) te verkopen aan de Stichting Het Geldersch Landschap. Die stichting financierde in 1980 een cascorestauratie waarbij gevels en de daken werden hersteld. Ook werd het park aangepakt en werden de grachten gebaggerd, het toen reeds gedempte ‘grande canal’ in de moestuin (van oorsprong een visvijver) werd opnieuw uitgegraven en de zichtlijnen werden hersteld.

 

Omdat onduidelijk was wat de toekomstige bestemming zou worden, werd het herstel van het interieur opgehouden. Dit vond pas plaatst nadat de Stichting Rhyngeest met architect Bob van Beek in 1998 voor een luttel bedrag de restauratieplicht voor het huis op zich nam. Door zijn grote inspanningen voor het herstel en behoud van deze historische buitenplaats komt hem veel waardering toe. Mede dankzij hem is Landfort behouden gebleven.

De nabijgelegen waterburcht van Anholt